DE BEREN, DE WEG EN HET HALFVOLLE GLAS

Steeds meer scholen werken met (mentor)coaches om leerlingen vanuit autonomie te begeleiden in hun proces van leren leren, leren leven en leren kiezen. Maar hoe doe je dat? Hoe zorg je ervoor dat je succesvolle coachgesprekken voert? Ik schreef er een blog over...

 

Door Ivo Mijland

 

Veel coaches hebben de neiging de focus te richten op de beren en de weg. Ze zoeken naar argumenten waarom iets niet gaat lukken. En die argumenten vinden ze. Met gemak. Tijdens een lezing in Den Bosch kwam er een beer uit de mouw. Een leerling uit de derde klas zou niet te coachen zijn, omdat zijn glas altijd half leeg is. Ik moest denken aan een uitspraak van Berthold Gunster. Of het glas halfvol of half leeg is, is een minder belangrijk vraagstuk dan de vraag waar zich een kraan bevindt. Tijdens de lezing stelde ik een wedervraag aan de deelnemer: "Wat voor een glas is het?" De deelnemer keek even vertwijfeld en zei toen: een bierglas. Ik reageerde positief, vroeg de deelnemer een pen en papier te pakken en de volgende tip te noteren: "Loop naar de keuken, pak een wijnglas en giet het bierglas leeg in dat wijnglas. Zo, nu is het glas weer vol." De kern van coachen is namelijk niet wat er (nog) niet is, maar elk coachgesprek te beginnen met een nieuwe beginsituatie. Er is altijd meer wel dan dat er niet is.

 

Het belang van motivatie

Op de eerste plaats is het belangrijk dat de coach en de coachee vanuit intrinsieke motivatie het gesprek aangaan. De leerling haalt het meeste uit een coachgesprek, waarin hij vanuit eigen verlangen met zijn hulpvragen in gesprek gaat. Er moet een plezierige werkrelatie zijn om tot succesvolle gesprekken te kunnen komen. Als een leerling zich gestuurd voelt, begint het gesprek met weerstand. De hakken gaan in het zand. Maar weerstand is in mijn ogen niet destructief. Het is een manier om te onderzoeken of het veilig is bij de coach. Begin dus liever met een warm welkom, en maak gebruik van 'das Recht auf Geschwätz'. Je maakt ruimte om over de leuke dingen van het leven te kletsen. Een simpele startvraag waarmee je connectie kunt maken is bijvoorbeeld: "Waar word jij blij van?" Of: "Wat doe jij graag in je vrije tijd?". Of: "Waar ben jij goed in?" Met zulke vragen maak je duidelijk dat niet het halfvolle glas centraal staat, maar de leerling zelf. De beste gesprekken voer je met leerlingen die het zelf zien zitten om met je in gesprek te gaan.

 

Zes eigenschappen

Om bij dat wederzijdse plezier te komen, beschikken succesvolle coaches over de volgende zes eigenschappen:

 

1. Laat je kennen

Een succesvolle coach is bereid om ook te laten zien wie hij of zij is, behalve de meester of juf. Als je je leerlingen wilt leren kennen, is het van belang om ook jezelf bloot te durven stellen en ook je kwetsbaarheid te durven tonen wanneer dat passend is in de begeleiding. Vrees daarbij niet de grensoverschrijdende vraag. Die gebruik je juist om de ander ook te laten merken wat jouw normen zijn. "Die vraag zag ik niet aankomen. Vind je het goed dat ik dat antwoord even voor mezelf houd? Laten we afspreken dat jij ook kunt beslissen dat je een vraag die ik je wellicht ga stellen, niet beantwoord. Lijkt me fijn om dat zo samen te kunnen afstemmen."

 

2. De coachee centraal

We hebben de neiging om onze eigen kennis en vaardigheden centraal te stellen. Onbedoeld zet je het proces daarmee stil. Waarom doe je niet… is een veelgehoorde zin van beginnende coaches. We stellen ons doel en ons vakmanschap voorop. We willen immers dat een leerling goede cijfers haalt, Hierdoor vergeten dat het in onze ogen ongewenste gedrag, gevoed wordt door een motivatie van de leerling. Het draait helemaal niet om jou als coach, het gaat om de leerling zelf. Gedrag kent altijd ook een opbrengst. Als je de coachee centraal stelt, begin je met de situatie zoals die is, zonder oordeel. Als je de coachee centraal stelt, overwint jouw nieuwsgierigheid het en komen je zorgen op de tweede plaats.

 

3. Geef positieve aandacht

Vanuit onze Calvinistische grondslag, hebben we de neiging om onze feedback te richten op het probleem. We geven aandacht aan wat we niet willen. Dat terwijl wetenschappelijk bewezen is dat je meer krijgt van wat je niet wilt, als je feedback geeft op wat je niet wilt. Succesvolle coaches benoemen dingen waar ze wél tevreden over zijn. Geef positieve aandacht zowel voorwaardelijk (iets wat de leerling doet) als onvoorwaardelijk (het zijn van de leerling). Zeg bijvoorbeeld: "Fijn dat je er bent." Maar ook: "Ik vind je echt een hele fijne leerling."

 

4. Zie de dingen niet zoals jij bent

We zien de dingen niet zoals ze zijn, we zien ze zoals wij zijn. Vanuit onze eigen rugzak, beschouwen we elke coachvraag onbedoeld vanuit hoe we zelf over de leer- en leefwereld denken. We focussen ons dan op onze eigen koffer, terwijl de coachee vrijwel altijd een andere blik heeft op de situatie. We hebben de neiging om de coachee te overtuigen dat er een negen getekend is, terwijl de leerling vanuit zijn positie misschien wel een zes zien. We spreken van overdracht en tegenoverdracht. We projecteren onze eigen geschiedenis op de coachee. Zorg ervoor dat je je eigen assumpties in een coachgesprek parkeert. Jouw aannames over de werkelijkheid doen er niet toe. Voorbeeld: "Als je wilt slagen, zul je aan het werk moeten." Dat terwijl je niet weet of de leerling wil slagen en ook niet weet in welk deel van zijn leven hij al aan het werk is. Toen ik de eerste keer in havo 5 zakte, was ik daar totaal niet rouwig om. Ik wist totaal niet wat ik wilde, was nog lang niet klaar voor de studententijd en vond het heel fijn dat ik de tweede keer in havo 5 mezelf wat meer op de kaart wist te zetten.

 

5. Coach oplossingsgericht

Veel coaches denken oplossingsgericht te coachen. Ze helpen de leerling zo snel mogelijk aan een oplossing, vanuit de overtuiging dat een goede coach de ander helpt. Binnen tien minuten wordt het probleem gerepareerd, zonder oog te hebben voor de mogelijkheden van de leerling zelf. Oplossingsgericht gaat echter niet uit van de oplossing van de coach, maar over de oplossingen van de coachee zelf. Guy Ausloos stelde in één van zijn boeken - 'De competentie van families' - al prachtig: de mens stelt alleen die vragen, waarvan hij weet dat hij ze zelf op kunnen lossen. Positieve coaches laten de zelfvalidatie van de coachee groeien, door de leerling te laten beseffen dat hij meer is dan alleen een probleem.

 

6. Wees geen zie-je-wel-ist

Veel gesprekken mislukken omdat we de zie-je-wel kaart trekken nog voor het coachen begonnen is. Onbewust beschouwen we de situatie met een mislukkingsgemotiveerde blik. Die blik kent drie levels. We zien voor de start al de beren op de weg (dat gaat met deze leerling niet lukken). We wachten tijdens het gesprek op de beren (we wachten net zo lang tot de beer er is en zeggen dan zie-je-wel) en we delen de geziene beren met anderen. In de docentenkamer projecteren we de beer aan collega's die de leerling ook kennen. "Het was weer eens onmogelijk om een normaal gesprek met hem te voeren" klinkt het dan. Waarop collega's instemmend knikken: "Bij die jongen is het glas altijd half leeg." Wie de zie-je-wel-bril afzet, start elk coachgesprek met een nieuwe beginsituatie waarin mogelijkheden en kansen centraal staan.