LERAREN ZIJN NET LEERLINGEN

Een van de meest gestelde vragen uit het onderwijsveld is en blijft: hoe motiveer je toch die leerlingen? Ze hangen maar in de banken, zijn brutaal en maken geen huiswerk. Ik kaats die vraag vaak terug met de vraag: als er een studiedag op jouw school georganiseerd wordt, hoe gemotiveerd zijn dan de docenten?

 

door Ivo Mijland

 

Vaak hoor ik dan een riedel aan argumenten over de reden van demotivatie. Op de studiedagen komen saaie sprekers, mensen die de praktijk niet kennen, denken dat ze het beter weten. Er is niet genoeg afwisseling, het is te theoretisch en vaak ook erg saai. Mijn vervolgvraag luidt: ‘En hoe komen jullie zo’n studiedag door?’ De sfeer wordt dan lacherig. We maken het de trainer moeilijk. We gaan stiekem iets anders doen. We hebben een speciale bingokaart voor studiedagen: workshopbingo. We lachen ons door de dag heen. ‘Bingo!’ riep ik na deze uiteenzetting. Gevolgd door: ‘Leraren zijn net leerlingen…’ Als het niet is waar je recht op hebt, gaan gasten zich soms vervelend gedragen. Maar als je daar met een gastvrije bril naar kijkt, ligt in dit probleem de enorme kans om het tij positief te keren. Leer je leerlingen motiveren door je eigen demotivatie te ontmantelen.

 

Gratis spiegel

Het antwoord op de vraag ‘hoe motiveer je leerlingen om te leren?’ is helemaal niet zo ingewikkeld. Het is hetzelfde antwoord als op de vraag ‘hoe motiveer je leraren om te leren?’. Het gedrag waar de vraag ‘hoe motiveer je leerlingen?’ over gaat (hangen, niets doen, huiswerk niet maken, brutaal zijn) zegt niet zoveel over degene die zich gedraagt, het is in feite een gratis spiegel die de docent of trainer krijgt voorgehouden. Want als er in de leerruimte onvoldoende uitdaging is, ontstaat ook tijdens studiedagen voor leraren - terecht - een recalcitrante sfeer. De bingokaart is dan een bezigheid om een saaie dag door te komen. Het wegduiken, niet meedoen, weerstand tonen of weglachen van de dag zijn overlevingsstrategieën om op de been te blijven. Dat doen leraren om duidelijk te maken dat het niet goed genoeg is. En ja, dat doen leerlingen dus ook. Die verzinnen ook dingen om elke schooldag tot een goed einde te brengen. Het is een oplossing, maar ook weer niet. Het probleem blijft namelijk bestaan: er is niet voldoende leeropbrengst van een studiedag, terwijl je daar wel recht op hebt.

 

Een op een vertalen

Als we het lerarengedrag tijdens een studiedag analyseren, kunnen we eigenlijk met speels gemak op een rij zetten wat er nodig is voor motivatie bij leerlingen. De ingrediënten die leraren kunnen motiveren op een studiedag, kun je bijna een op een vertalen naar je eigen klaslokaal. Ga voor jezelf eens na welke studiedag je positief is bijgebleven. Wat gebeurde er die dag en wat niet? Wat voor manier van werken had de trainer? Hoe maakte hij contact? Vraag je vervolgens af: van welk gedrag van die trainer kan ik iets leren om mijn leerlingen beter te motiveren voor mijn lessen. Uiteraard heb je hier je eigen antwoorden, maar ik deel met plezier mijn antwoorden van een training die ik volgde bij Flor Peeters. Bij hem leerde ik in drie dagen meer over een succesvolle onderwijsattitude dan in zes jaar lerarenopleiding.

 

1. Ik werd serieus genomen

Wat me bij de start van de training opviel, was dat de trainer iedere deelnemer serieus nam. Hij maakte contact, toonde interesse in de cursisten. Hij babbelde met ons mee tijdens de koffie en maakte verbinding met de mensen die hij een training mocht geven. De eerste contacten gaven vertrouwen.

 

2. Er was een duidelijk plan

Na de plezierige kennismaking met de trainer, was er ook een duidelijke opening. De trainer legde uit wat zijn plannen waren. Twee zinnen sprongen erbovenuit. 

1. Jullie moeten er morgen iets mee kunnen doen. 

2. Jullie praktijkervaringen staan centraal.

Je voelde direct dat de dagen bij deze trainer heel veel zouden kunnen opleveren. 

 

3. Weerstand werd omarmd

In de groep waren ook een paar mensen vol wantrouwen in de eerste minuten van de training. Wat me opviel was dat de trainer die weerstand omarmde. Hij had er geen kritiek op, maar nam deze mensen uitermate serieus. Hij onderzocht op een positieve manier wat de mensen wilden zeggen. Hij leek te weten dat deze mensen in het verleden slechte ervaringen hadden opgedaan met trainingen. Dat weerlegde hij niet, maar pakte hij op als een bruikbaar gegeven. 

 

4. Iets te vertellen

Ik herinner me nog dat er een vraag gesteld werd over een lastig oudergesprek. Iedereen hing aan zijn lippen toen hij met mooie voorbeelden uitlegde wat er volgens hem speelde, wat dat wilde zeggen en wat je er een volgende keer mee zou kunnen doen. Dat was nooit belerend, wel boeiend. Met praktische voorbeelden ontstond in zijn verhalen direct het gevoel: wow, dit gaat geweldig worden. 

 

5. Niet alleen aan het zenden

Er was een samenspel. De trainer had veel te vertellen, maar liet ook zijn deelnemers vertellen. Hij nodigde ze uit om uit te leggen hoe ze bepaalde dingen doen, waar ze goed werkten en hoe de leerlingen erop reageerden. Door die aanpak had iedereen het idee: wij zitten hier niet voor spek en bonen, wij horen erbij en mogen ook betekenis geven aan deze dagen. 

 

6. Hij was positief

De trainer had de bijzondere gave om uit elk probleem een mogelijkheid te creëren. Hij boog negatieve bewoordingen (‘Dat kind is gewoon vervelend’) om in positieve woorden (‘Soms doen kinderen vervelend omdat ze zich vervelend voelen, wat denk jij dat deze leerling vervelend vindt in of buiten school?’). Je kreeg door die aanpak gewoon zin om de volgende dag die leerlingen weer te ontmoeten. Je voelde gewoon - voor zover ik dat al niet deed - hoe geweldig ons vak eigenlijk is.

 

7. Er werd gelachen

De trainer had humor. En de trainer had door welke deelnemers humor hadden. Zelfs toen het over suïcide ging tijdens een van de dagen, was er genoeg ruimte om te lachen. Dat leverde een heel ontspannen sfeer op, waardoor mensen ook hun kwetsbare dingen gingen delen. Ik ontdekte dat plezier twee smaken kent: een lach en een traan. Beide tranen hebben dezelfde structuur, zijn even zout en nat, en leveren allebei een gevoel van kracht en overwinning op. 

 

8. Er was afwisseling

Voor mij was het een openbaring. Tijdens een training hoef je helemaal niet zeven uur in een ruimte te zitten om te leren. Na korte stukjes theorie kwam hij met scherpe opdrachten waarin we de theorie koppelden aan de praktijk. Door de grote ruimte regelmatig te verlaten, konden we de leerstof beter laten beklijven. Over de opdrachten was nagedacht. Soms zaten we dertig minuten te werken en ontdekten we hoe interessant de theorie was die we leerden. 

 

9. De tijd vloog voorbij

Door de bovenstaande punten hadden we aan het eind van de dag unaniem het idee: hè, nu al tijd? Door de manier van werken voelde het geen moment als werkend leren. We leerden al doende op een plezierige wijze. 

 

10. De trainer koppelde ’s avonds terug

Helemaal mooi werd het toen we na elke cursusdag ’s avonds een mailtje kregen. Daarin kregen we suggesties voor aanvullende artikelen over hetgeen we die dag behandeld hadden. Ook werd door die mail zichtbaar dat de trainer ons echt gezien had; er stonden steeds dingen in waaruit bleek dat de trainer heel de dag echt aanwezig was geweest en ons ook serieus nam. 

Wat deze trainer voor elkaar kreeg met (ook een paar erg kritische) leraren, maakt duidelijk dat iedereen te motiveren is. Dat het motivatieprobleem (en dus ook de oplossing van het probleem) niet alleen bij de leerlingen ligt, maar ook bij degene die ze iets wil leren. Als je last hebt van ongemotiveerde leerlingen, is het dus interessant om te kijken: wat doe ik eigenlijk om er iets moois van te maken? De bovenstaande tien voorbeelden van hoe een trainer mij motiveerde, gelden (uiteraard) ook als smeerolie voor een motiverende leraar. Je hoeft niet direct alles uit de kast te trekken. Het verschil maak je al als je toe durft te geven dat je zelf onderdeel van het probleem bent én ook durft te investeren om er iets mooiers van te maken. Leerlingen zien die inspanning en zullen erop anticiperen.

 

Er zijn vast nog meer punten te noemen, waardoor ik tijdens de training gemotiveerd was en geen behoefte had aan een workshopbingo. Ik wil de bovenstaande tien punten vooral gebruiken als een spiegel. Voor lerende scholieren gelden dezelfde behoeftes als voor lerende leraren. Scholieren willen leren als ze merken dat er moeite gedaan wordt om ze te kennen. Leerlingen willen merken dat je je stinkende best gedaan hebt om er een boeiende, leerzame en toepasbare les van te maken. Ze willen leraren hebben die ruimte maken voor humor, die iets te vertellen hebben en die de leerlingen uitnodigen om ook iets te vertellen. Ze willen dat je hun weerstand begrijpt en er iets positiefs mee doet. Ze willen dat de tijd vliegt. Ze willen net als leraren dat er aan het einde van een studiedag positieve energie is, goesting, zoals de Belgen zeggen. In hoeverre lukt het jou al om zo’n leraar te zijn?

 

Maar niet alle trainers zijn zo

Natuurlijk kan het zijn dat je na het lezen van dit artikel een studiedag krijgt die volstrekt niet voldoet aan waar je recht op hebt. Natuurlijk kun je dan bingo gaan spelen, lacherig doen of verstoppertje spelen. Je kunt ook opkomen voor je rechten. In dat geval ga je met je collega’s op zoek naar trainers waar je wel iets van leert en waar je een nog betere leraar van wordt. Je gaat dan met je manager om tafel om te zeggen dat je wilt ervaren dat studiedagen zin hebben en aan de slag wilt om de juiste mensen in jouw school te krijgen. Dat kun je serieus doen, maar ook met een volle bingokaart. De bingokaart is dan niet alleen een afleidingsmanoeuvre, het wordt ook een middel om de dialoog aan te gaan met de organisator van de studiedag. Die wil ook niet dat het personeel tijdens een duurbetaalde training een potje workshopbingo speelt. Die wil dat de deelnemers er iets aan hebben, er iets mee kunnen in de praktijk en vooral dat ze ook iets anders gaan doen na een studiedag.

 

En nu de praktijk

Het antwoord op de vraag ‘hoe motiveer je leerlingen om te leren’ kan door jezelf gegeven worden door jouw leerbehoeften te onderzoeken. Ik nodig je uit om inzichten uit jouw zoektocht uit te proberen in de dagelijkse praktijk. Voorkom dat je te groot gaat denken. Ga niet met alle tien punten ineens aan de slag, want dan zeggen de leerlingen: die is zeker op cursus geweest. Blijf dicht bij jezelf, maar investeer ook in kleine veranderingen. Geloof in de wet van de exponentiële groei. Die legt ons uit dat verandering druppelsgewijs gebeurt en dat elke succesvolle druppel een verdubbeling van resultaat laat zien. Twee druppels verandering worden er al gauw vier, acht, zestien etc. Bedenk voor de volgende les wat jij zou kunnen doen, wat je zelf zou willen ontvangen tijdens je volgende studiedag.

 

Tot slot. Ik geef je hierbij een tweede bingokaart, de motivatiebingo. Op deze kaart kun je je leerlingen af laten vinken wat ze in jouw lessen hebben ontvangen. Ik wens je succes met het behalen van een volle kaart, maar zoals bij de echte bingo kun je ook met een horizontale of verticale lijn al in de prijzen vallen.